Hoe je spectrofotometer instellen?

Wie vandaag kleur meet in een grafische of packaging-omgeving, botst vroeg of laat op dezelfde vraag: welke meetconditie moeten we op instellen voor onze spectrofotometer:
M0, M1, M2, M3… en dan ook nog eens: Delta E 76 of Delta E 2000?
Het antwoord is minder absoluut dan velen hopen: de “juiste” meetconditie hangt volledig af van wat je met de meting wil doen.
Waarom bestaan M0, M1,M2 en M3?
De verschillende meetcondities hebben alles te maken met optische witmakers (OBA’s) in papier en karton. Die witmakers absorberen UV-licht en zetten dat om in blauw licht, waardoor het substraat “witter” lijkt. De hoeveelheid UV-licht die je gebruikt om een kleur te meten heeft hierdoor een effect op de resulterende Lab-getallen:
- M0: beperkt dosis UV-licht
- M1: D50-simulatie met stevige dosis UV-licht (zoals in buitenlicht)
- M2: zonder UV-licht
- M3: met polarisatiefilter (onderdrukt spiegelglans, vooral relevant voor densiteit)
Op substraten zonder optische witmakers leveren M0, M1 en M2 quasi identieke waarden op. Op substraten met witmakers krijg je drie verschillende Lab-waarden, afhankelijk van de meetconditie.
Daar ontstaat het mijnenveld.De eerste vraag die je je moet stellen is: waarvoor meet je?
1. Kleurmetingen voor color management
Gebruik je metingen om een gedrukte kleur te vergelijken met een digitale doelkleur uit een ICC-profiel, dan moet je meetconditie overeenkomen met die van het kleurprofiel.
Voorbeelden:
- Coated FOGRA39 (ISO 12647-2:2004) → gebaseerd op M0
- PSO Coated v3 (FOGRA51) → gebaseerd op M1
Meet je onder een andere conditie dan die van het profiel, dan vergelijk je in feite appels met peren.
Voor het berekenen van kleurverschillen in deze context is Delta E 2000 de aangewezen formule.
Een interessante kanttekening hierbij: M1-kleurprofielen zijn technisch correct om gedrukte kleur op fluorescrende papiersoorten nauwkeurig op te meten. Kritiek hierbij is dat moderne LED-lichtbronnen bevatten quasi geen UV-licht uitstralen. Wat je meet onder M1 komt dus vaak niet overeen met hoe een klant binnen je kleur ziet.
In de ISO-norm voor lichtkasten bestaat daarom ook een M2-conditie (zonder UV) — maar echte M2-kleurprofielen zijn voorlopig zo goed als onbestaand.
2. Kleurmetingen voor productiecontrole
Gebruik je kleurmetingen vooral om te checken of je vandaag dezelfde kleur drukt als vorige week, dan vergelijk je drukwerk met drukwerk — niet met een digitaal profiel.
In dat geval is M1 de beste keuze:
die registreert zowel het effect van de inktlaag als dat van de optische witmakers het meest volledig en reproduceerbaar.
Voor productiecontrole heeft de klassieke Delta E 1976 hier zelfs een voordeel:
- eenvoudiger
- in de praktijk vaak stabieler en nauwkeuriger, vooral bij geel.
En wat met M3 (polarisatie)?
M3 schakelt een polarisatiefilter in en is vooral nuttig voor densitometrische metingen, omdat spiegelglans wordt onderdrukt.
Het is geschikt voor inkt- en procescontrole, maar niet bruikbaar om kleurovereenkomst met kleurprofielen te beoordelen.
Een veelgebruikte en logische combinatie in de praktijk is daarom:
- Spectraal: D50/2° – M0 – Delta E 2000 (kleurnauwkeurigheid voor bekijken door de klant)
- Spectraal D50/2° – M1 – DeltaE ((kleurnauwkeurigheid bij interne kwaliteitscontrole)
- Densitometrisch: M3 met polarisatie (inktopbouw, processtabiliteit)
Tip: lerend netwerk kleur
Twijfel je hoe je deze meetcondities het best vertaalt naar jouw dagelijkse praktijk? Of merk je dat kleurbeheer intern blijft botsen op interpretaties, gewoontes en verschillende meetinstellingen?
Binnen het VIGC Lerend Netwerk Kleur brengen we kleurverantwoordelijken, prepress-specialisten en drukkers samen rond precies dit soort vragen: praktijkcases, meetopstellingen, normering, kijkomstandigheden en procesafspraken.
Geen theorie om de theorie, maar ervaringen uitwisselen, problemen scherpstellen en samen oplossingen uitwerken.
Meer info: lerend netwerk kleur – VIGC: https://agenda.vigc.be/en/event/praktisch-kleurbeheer-doorheen-jouw-workflow-80/register