Minder Microsoft, meer keuze

Er zijn tal van initiatieven die Europa digitaal onafhankelijker moeten maken van big tech. Microsoft behoudt voorlopig zijn monopoliepositie, maar de nieuwe trend biedt allerlei nieuwe kansen voor het bedrijfsleven.
Lang geleden werkte ik als programmeur bij een drukkerij. Mijn collega Sven, een uitstekende IT’er, bouwde in opdracht van een klant een programma waarin bankmedewerkers gegevens konden invoeren. Het programma werd bij ons op de afdeling uitgebreid getest, op dezelfde hardware en met hetzelfde besturingssysteem als de klant. Toch werkte het niet op de pc’s van de klant. Sven stond voor een raadsel.
Wat bleek: de software die Sven gebruikte om zijn programmacode bij de klant in te voeren (Visual Studio van Microsoft) had bij installatie onderdelen van het besturingssysteem (Microsoft Windows) vervangen. Microsoft leverde software waarmee het zijn eigen besturingssysteem hackte en zette daarmee zijn gebruikers voor aap. Dat was het moment waarop tot me doordrong dat softwareontwikkelaars – in dit geval een monopolist in de kantooromgeving – in staat zijn om vals te spelen.
Oncontroleerbaar
Sindsdien keek ik met enige argwaan en verbazing naar het enthousiasme waarmee organisaties op elk niveau de producten van één leverancier omarmen. Niet dat alle producten van Microsoft slecht zijn. Integendeel, sommige toepassingen zijn goed gemaakt. Maar ze zijn oncontroleerbaar. Vergelijk Windows eens met een prima maaltijd die u krijgt voorgeschoteld in een restaurant. Het smaakt zo goed dat u het gerecht zelf in uw keuken wilt namaken. Dat is lastig, want u heeft geen recept, hooguit een vaag idee van de ingrediënten en de manier waarop de kok het heeft aangepakt.
Voor doorsnee commerciële software geldt hetzelfde. De code van de programmeur (het recept) is via een compiler omgezet in onleesbare machinetaal (het maal). Buiten de keuken van Microsoft weet niemand precies hoe de software is opgebouwd. Technisch gezien is het voor Microsoft een peuleschil om er bij de volgende update voor te zorgen dat uw computer niet meer werkt of dat uw gegevens automatisch worden gekopieerd naar een onbekende server. Ook een peuleschil: ervoor zorgen dat software van derden niet meer wordt ondersteund door Windows. Wie weet, misschien is Microsoft op dit moment te goeder trouw. Maar is het wel verstandig dat iedereen steeds voor dezelfde (Amerikaanse) leverancier kiest? Zeker als er zoveel (gratis) alternatieven zijn?
Het verdienmodel
Het kan namelijk anders. In de open source-gemeenschap is de programmeercode openbaar gemaakt. Iedereen kan de maaltijd koken die de ontwikkelaar heeft bereid en er desgewenst een eigen versie van creëren. Een voorbeeld van zo’n recept is het besturingssysteem Linux, verkrijgbaar in vele smaken. In feite bevat Linux alleen maar de kern van het systeem. De gebruikersomgeving en alle aanverwante software is er door de open source-gemeenschap omheen gebouwd. Google gebruikte Linux als basis voor Android. De code voor Android is dan weer niet openbaar, maar het succes maakt duidelijk dat er wel degelijk een markt is voor op Linux gebaseerde toepassingen.
Hetzelfde geldt uiteraard ook voor de kantooromgeving, waarvoor gratis open-source software overvloedig beschikbaar is. Er is zelfs keuze uit meerdere gratis officepakketten van onafhankelijke aanbieders. Toch kozen overheid, bedrijfsleven en vrijwel alle andere organisaties steevast voor de dure diensten van Microsoft. Dat heeft alles te maken met een enorm marketingbudget (omzet van Microsoft in 2025: 76,4 miljard dollar, nettowinst 27,2 miljard dollar), maar ook met onwetendheid van de mensen die beslissen over de aanschaf van een systeem. De functionaris (meestal de directeur, bestuursvoorzitter of minister) die de software uitkiest, is geen IT-specialist. De systeembeheerders die hem adviseren zijn veelal opgeleid door Microsoft en ontberen kennis van andere toepassingen. Vaak zijn zij niet dol op verandering en houden ze graag vast aan bestaande leveranciers. En zolang iedereen kiest voor Microsoft (en Apple), komt er geen ondersteuning van Linux door bijvoorbeeld een bedrijf als Adobe. Een kip-ei-situatie, kortom.
Vanuit de directiekamers is er vaak scepsis als het gaat om open source-software. Want hoe kan gratis software zonder winstoogmerk toch goed zijn? Dat is mogelijk doordat het verdienmodel van Linux-ontwikkelaars wezenlijk anders is dan dat van zijn commerciële tegenhangers. Linux-programmeurs werken veelal in opdracht van bedrijven die dit systeem zelf nodig hebben voor hun bedrijfsvoering. Zo draait ongeveer driekwart van alle webservers op Linux. Het is een gratis systeem, het is stabiel en ontwikkelaars hebben er volledige controle over. Daar komt nog bij: sommige ontwikkelaars denken helemaal niet na over een verdienmodel. Linus Torvalds, de geestelijk vader van Linux, ontwikkelde het systeem, simpelweg omdat hij het nodig had.
Frankrijk neemt het voortouw
Langzaam maar zeker dringt in de EU het besef door dat er vanuit de VS een andere wind waait. Het bondgenootschap staat onder druk, de Amerikanen hebben kritiek op de EU en er is wetgeving die het voor hun overheid mogelijk maakt om allerlei gegevens in te zien. Voor het eerst leidt de afhankelijkheid van Microsoft, Google, Amazon en andere Amerikaanse aanbieders tot vraagtekens. En dat is goed nieuws voor Europa, voor België en voor de (grafische) industrie.
De voorpagina’s van de kranten haalt dit nieuws nog niet, maar met name de Fransen maken haast met de overstap naar Europese en onafhankelijke techniek. Op 10 april kondigde de Franse overheid aan dat 2,5 miljoen werkplekken van ambtenaren overstappen van Microsoft naar Linux. Volgens het online magazine Tech Insider gaat het niet alleen maar om de desktop, maar ook om software voor samenwerken, netwerk-toepassingen, databases, AI-platformen, antivirussoftware en virtualisatieomgevingen.
Intussen wordt er gewerkt aan een Europese versie van Linux, genaamd EU OS. Het doel is om EU OS onderdeel te maken van code.europa.eu. Dat is het platform van de Europese Commissie waarin open source-initiatieven samenwerken. Met het Digital Commons European Digital Infrastructure Consortium (DC-EDIC), stimuleert deze Europese Commissie verdere samenwerking van de lidstaten op open-source-gebied.
Er zijn nog meer positieve ontwikkelingen: het Internationaal Strafhof (ICC) in Den Haag stapt over op het Duitse OpenDesk, een samenwerkingsverband van verschillende Europese softwareleveranciers. De Nederlandsche Bank stapt over naar de Duitse cloud-servers van Schwarz Digits. Zo zijn er tal van nieuwe initiatieven om digitale soevereiniteit te bevorderen.
Wind in de zeilen
Voorlopig is het twee stappen vooruit, één achteruit. Het Belgische ministerie van Defensie sloot eind vorig jaar opnieuw grote contracten af met Microsoft, onder meer voor een AI-opleidingsprogramma. Een half jaar daarvoor kondigde de Vlaamse overheid een strategische samenwerking aan met de softwarereus. In Nederland heeft de Belastingdienst zichzelf volledig afhankelijk gemaakt van Microsoft. We zijn nog lang niet van de Amerikanen af.
Maar er gloort licht aan het eind van de tunnel. Met name de ontwikkelingen bij de Franse overheid maken het voor softwareontwikkelaars interessant om meer dan alleen de geijkte platformen te ondersteunen. Als de broncode goed is opgezet, is het ontwikkelen van een aparte Linux-versie een kleine investering. Dat het kan is aangetoond met de komst van Android, dat in sneltreinvaart de smartphone-markt veroverde. Ineens bleek het een fluitje van een cent om van iPhone apps een Android-versie te maken.
Kortom: KMO-bedrijven kunnen straks (nog) eenvoudiger afscheid nemen van Microsoft en daarmee flink kosten besparen. Bovendien gaan de werkstations langer mee, omdat de hardware-eisen van alternatieve software doorgaans minder groot zijn. De open source-gemeenschap krijgt dankzij de ontwikkelingen wind in de zeilen. Op naar een wereld met stabielere, veiligere, goedkopere, betere en onafhankelijke software.